P1. Volkshuis

Sint-Gillis Voorplein 37, 1060 Sint-Gillis

Gilbert Garcin


Gilbert Garcin is een fotograaf afkomstig uit La Ciotat en is pas na zijn pensioen foto’s beginnen te maken. Na een stage in Arles ontdekt hij de zwart/wit fotomontage, waarbij hij zichzelf in verschillende situaties in scènezet, meestal in irreële landschappen. Zijn stijl is nogal apart : in zijn montages laat hij verschillende situaties zien met als rode draad, spot en de absurditeit van de ‘condition humaine’.

Waarom denken we hier spontaan aan Woody Allen, die er in zijn leven enkel spijt van heeft dat hij niet iemand anders was ?
Gilbert Garcin raakt verstrikt in de vallen die hij voor zichzelf uitzet, marionet tussen het tragische en komische, en lijkt sterk gebukt te gaan onder de fataliteit. Maar nog meer onder woorden. Kijk dus door de legendes van wat zijn lot is geworden heen, en dit nieuwe papieren leven waarvoor hij op latere leeftijd nog voor heeft gekozen, zal al heel wat minder ondraaglijk lijken.
De relatie met zijn vrouw zal altijd stormachtig blijven (ook hier moeten we aan Woody Allen denken : “Ik word liever gecremeerd dan begraven, en breng liever twee weekends dan één enkel weekend met mijn vrouw door”), maar de dood zal veel minder aanwezig zijn.
Zonder een “Je me souviens des jours anciens”, of “Ik herinner me de dagen die zijn vergaan” als legende, is het nog niet zo zeker dat het beeld dat we van hem krijgen, als een kleine jongen tegenover een papieren bootje, wel zo definitief lijkt. Zonder commentaar is het nog niet zo zeker dat de rechte lijn die hij met veel moeite aan het trekken is, wel de laatste is die is aangekondigd.
Zonder die woorden die bol staan van de fataliteit daarentegen, zou de absurditeit er enkel maar bij te winnen hebben. Zonder de dood zou er voor de kleine jongen niets anders op zitten dan zijn rolletje tot in het oneindige op te trekken, als een Sisyphus van de inktpot. Zonder de ultieme bevrijding zou hij gedoemd zijn eeuwig de loop der tijden af te spelen, om zonder genade de wereld te veranderen en zonder reden zijn grenzen af te tasten.
Dat is dus de Gilbert Garcin van de knipmontages, op het smalle koord tussen tekst en beeld. Door woorden met de dood bedreigd, veroordeeld tot het absurde door de beelden alleen, tenzij hij zich kranig verzet. Wat hij trouwens met brio doet. De “parvenu”, “Zeker zijn van zichzelf”, “Zijn best doen”, stuk voor stuk legendes die als achterhaalde moraallesjes klinken, als belerende uitdrukkingen waartegen hij zich heftig verzet. Door foto’s die net zo scherp waren, als die die John Heartfield aan de bruine pest had ontleend. Met een non sense die zelf de Britten doet verbleken.
In een notendop dus het heilzame hoongelach van een universeel slachtoffer van algemeenheden dat tegenstribbelt. Met Garcin (goed verscholen achter zijn kleine silhouet), steken we een wrekende vuist uit naar we weten wel wie, en hebben we 40 foto’s lang, lak aan de burgerlijke weldenkendheid, die tot in de kern van de woorden verankerd zit.

Jean-Marc BODSON

Hitch-hikers, door Doug Biggert

Voor Doug Biggert is ”What can I do ?” geen vraag maar wel een antwoord. Een antwoord die niet alleen veel zegt, maar ook het essentiële, en wel het volgende : “Ik ben niet blind, ik zie perfect wat er gebeurt en ik maak er foto’s van. Ik zie ook wel dat de lifters die ik in mijn Kever meeneem geen Rockfellers zijn, maar indien ik enkel Rockfellers wou oppikken, dan nam ik niemand mee”.

Als Doug Biggert u “What can I do ?” antwoordt, dan is dat omdat u hem een bizarre Europese vraag heeft gesteld. U had het met hem over evidente dingen. Ja, er staan soms sukkelaars langs de kant van de weg, maar ze zijn niet enkel sukkelaars. Ze zijn jong en zien er goed uit, en een uurtje met hen doorbrengen in de paar kubieke meter van een Kever, is altijd leuk meegenomen. En als ze niet jong zijn en er niet goed uit zien, dan is dat normaal omdat het leven nu eenmaal zo is. Ok, we hoeven onszelf geen praatjes wijs te maken, maar zo zit het echte leven in elkaar.” Lees : “Wij, in Amerika, mogen dan wel dromen hebben, we leven met wat we hebben.”

En ongetwijfeld is bij het zien van al die beelden die in de verschillende Staten zijn genomen, “On the Road” ter sprake gekomen. U heeft het niet gehad over “het lange lint, de uitgestrekte ruimtes”, maar u heeft er wel aan gedacht, toen u hem over Kerouac vertelde. En wat kon hij anders antwoorden dan, “deze vrouw daar, helemaal niet, ze ging enkel naar de markt een paar straten verder.” ? Doug Biggert ziet de Amerikaanse mythologie niet, hij leeft er midden in. Hij werkt er al 40 jaar aan. Door bijvoorbeeld als een selfmade man op te klimmen bij Tower Records (van onderhoudstechnicus, tot hoofd van het wereldwijde departement ‘magazine’), door een enorme collectie aan te leggen van LP’s en bomber stickers, door alle nummers van het skateboardmagazine Trasher te verzamelen, door in Californië te wonen en er foto’s te nemen van de lifters die hij oppikt.

En dan stellen we ons de vraag, wat zijn dat voor foto’s ? Voor hem zijn het uiteraard eerst en vooral herinneringen. Maar voor de toeschouwers kan dit, laten we eerlijk zijn, alles en niets tegelijk zijn. Als het al geen Kunst is (gelukkig), dan kan het worden geïnterpreteerd al een sociologisch document, een beetje zoals het werk van Jacob Riis of Lewis Hine. Maar het is hoegenaamd niet zijn roeping. We zouden het ook kunnen lezen als werk van Lartigue, als een stevig sneetje verleden met een dikke laag nostalgie erop gesmeerd. Maar daar is het hem al helemaal niet om te doen. Surrealisme dan, als we de situaties bekijken ? Ook niet, en laat ons vooral niet verder zoeken, eenieder zal ervan maken wat hem het best uitkomt. Om het simpel en kort te houden, als we het van heel dicht bekijken, dan is die onuitgegeven beeldenreeks, Amerika in zijn meest pure vorm.

Jean-Marc BODSON